STILLE UREN. 83
gelijk-zachtende loopering van den weg en hij was stil gebleven voor de open wijdheid van het weggehakte bosch, boven de leege berghelling die diep naar het dal glooide.
Het was hetzelfde uitzicht als eertijds. Ver tusschen den somber-indonkerenden opstand der hoogschuinende bergen, diep beneden in het dal dat duister heenslapend neerlag onder den dun-wolkenden damp die luidloos omhoog teerde, zilverde in even naglanzend spiegelen het buig-wittend slangen van de kleine rivier, plotseling weg achter de hooging der hoornen, in rag-streepende smalling weer voorttrekkend met vagen schijn in de wijde uiteenlegging der weiden, die heenleegden naar de eindelooze vlakte. Scherp-wittend in ruischlooze beweegloosheid, stond de waterval tegen het diep-zwarte der hellingen aan de overzij, nauw merkbaar telkens wisselend van lijn, even ineensmallend en weer uitbreedend de strak-spannende helderheid onder het laag-grijzend vloeien der vochtende misting, die langzaam, speurloos samenweefde met den nevel die uit het dal omhoog schoof. Schuin achter hem lag het stadje, met de vast-warrelende dichting der