82 STILLE UREN.
om haar niet te moe te maken. Zij had zwaar op zijn arm geleund, haar hoofd waarom zij haar wit-mazend, wol-zachtend doekje had gebonden, gebogen tegen zijn schouder. Wanneer zij even stil stonden, wachtend tot zij zou zijn uitgerust, had hij haar mat-bleeke gezicht gezien droom-mooi te voren fijnend uit de plooien van het doek, haar teer-rozende neusvleugels week-trillend onder de koelgeurende frissching van de bosch-lucht, haar donkere oogen moe-duisterend onder de lang-schaduwende wimpers, haar kleine droef-trekkende mond, even open boven de wit-heldere lichting van haar tanden, haar arm-jachtende borst, waaruit de korte ademtrekking hijgde. En telkens had hij haar vast gesteund tegen zijn arm, inniger drukkend haar tenger lichaam tegen zijn kracht-vaste staan en een wijd-dreigende klaging van leed was in hem opgeangst, een onzegbaar smartende leed-voeling van de geheiming der toekomst, waarin haar weggaan somberde uit de mompeling der duister-klankende woorden die hij eens over haar ziek-zijn had gehoord.
De stijging van het voetpad had opgehouden. Een klein eind nog was hij voortgegaan op de