76 STILLE UREN.
Soms ging hij ‘s avonds buiten de stad, naar een tuin waar muziek werd gemaakt en waar hij zat tusschen de voliing van het pratend publiek, met een vage hoop, dat hij zich daar minder eenzaam zou voelen. Maar het was of onder de vroolijkheid van de muziek zijn duister-voelen droeviger omhoog veranderde, of uit de diepte van zijn ziel al de ellende die zijn bestaan had doorgedroefd, omhoog woelde, of hij door de klank-weeking van geluid, galm-dragend over zijn zitten met ver heenklagende toonen, zijn uitgemoeid bestaan nog moedeloozer voelde. En het was hem op zulke avonden of hij nooit weer kon gelukkig worden, of de lichtheid in zijn leven nooit weer kon terugkleuren tegen de wijd-om-dragende wanhoop, die in zijn binnenste huilde.
Wanneer hij na zoo’n avond terugging naar zijn kamer, alleen tusschen de samengaande groepen der vroo-lijk-pratende menschen, alleen in de vreemd-onbeken-de duistering der eenzame straten, dan voelde hij, dieper nog dan anders, de sombere matheid die over zijn leven hing, dan donkerde zijn bestaan van dezen tijd nog dieper tegen de herinnering van pracht-heldere kleur, die van jaren geleden in hem omhoog snikte.