STILLE UREN. 71
kamer, moe-verlangend naar den slaap, waarin hij het denderend roezen van de trein nog hoorde, langzaam verder en verder nevelend in zijn bewust-zijn tot hij eindelijk insliep.
Toen hij na een paar dagen reizen was aangekomen waar hij zijn zwerven wilde beginnen, leek het hem of hij al weken van huis was en of er een onmetelijk langen tijd was voorbijgehaast tusschen zijn weggaan en nu.
En de eindeloos-lange dagen-reeks begon, waarin hij zwierf, alleen, zonder scherp-gewild doel, onverschillig waar hij heenging, alleen veranderend in zijn voortgaan door een toeval, doordat het hem verveelde langer te blijven waar hij was en hij verwachtte dat hij misschien ergens elders zijn doelloos bestaan minder zou voelen.
Hij leefde de melancholie door van de wijde eenzaamheid tusschen het druk-woelend bewegen van anderen; hij voelde de vage droefheid van het heengaan voor altijd van menschen met wie hij een korte poos geweest was en die hem sympathiek waren; de zachte weemoed klaagde in hem omhoog van plaatsen waar hij een korten tijd bleef en van waar hij heenging met het weten,