70 STILLE UREN.
ster schoven, zonder zijn denken te kunnen dwingen naar een duidelijk-omlijnd beeld, met een rustig-kalmend gevoel, dat hij steeds voortging, zonder inspanning, zonder vermoeienis. Wanneer hij wèl heproefde zijn gedachten te scherpen naar den tijd die achter hem lag, zoekend in zijn herinneren de dagen die voorbij waren, een na een, dan dwaalde zijn peinzen uit tot een vaag, wisselend soezen, telkens afgeleid door de veranderende figuring van den langzaam meeschuivenden horizont of door de snel-voorbij-plekkende visioening van wat dicht langs de spoorbaan stond. Wanneer langzaam het daglicht heendichtte tot een gestadig dieper-donkerend duister en het licht in de coupé werd opgestoken, leunde hij achterover in de kussens, zijn moe-geluid hoofd rustend in de weeke schudding van het zacht-veerend fluweel en zijn denken dwaalde vager uiteen, meenevelend met de rhyt-mende jachting van de trein, waaruit hij telkens waakschokte, wanneer de locomotief een lang-welvend fluiten klaagde over de geur-rustende velden, geheimzinnig slapend in den zomermacht. En in zijn hotel gekomen, haastte hij naar zijn