66 STILLE UREN.
Week-dwarrelend in lichte vlokking, begon buiten de sneeuw neer te zweven, langzaam dichter-streepend in dik-donze drading uit de lucht, een tril-schemerende wemeling spikkelend voor de grijs-dekkende egaalheid, waarin de wijde wolk-welving uiteenveegde. En het was hem of de neer-stillende sneeuw hun zitten verder scheidde buiten de menschen, illusieênd in zijn voelen alsof hij alleen met haar was om nooit weer terug te gaan in de werkelijkheid van het leven, een wonder-lievend onwaar-zijn dat hij zoo zou kunnen blijven altijd en altijd, zonder gedwongen omgang van harde onverschilligheid en angstend meezijn met vreemden.
En de sneeuw-dansing wit-warrelde in dichter zweving langs het venster, hooger lagend op de aarde tot een blank-lichtende spreiding van smetteloos wit, waarin alle luidheid daalde tot ein-delooze rust. Dan oprechtend uit zijn zitten, boog hij voor haar neer op den grond, haar handen klemmend in de zijne en steunend zijn hoofd in haar schoot, bleef hij kijken naar de sneeuw die hoog boven hem langs het venster woei, voortgeademd op de week-suizende blazing