STILLE UREN. 67
van den wind, heen-dringend zijn denken uit de angst-naderende dreiging van het uur, dat hij van haar zou moeten weggaan, alleen weer in de kleurlooze toonloosheid van zijn dagbestaan. En ’t was hem of de streeling van haar warm-zachte vingers langs zijn hoofd een lichtbelo-venden goudschijn weefde over zijn zwijgen, langzaam wijder uithelderend in het kamer-gevulde duister tot een nooit heen te donkeren toovering van kleur.
De winter kilde voorbij. Het voorjaar zonde omhoog uit de langer-lichtende dagen, de naderende zomer geurde op in het week-suizend zachten van luwen wind en kleuren van roze-teerende luchten. Op een avond loomde zij naar zijn wachten, moeilijk snikkend dat zij terug moest naar haar land, naar haar huis, waar haar moeder ziek lag, die haar bij zich wilde hebben. Twee dagen later bracht hij haar naar den trein.
En toen zij voor goed van hem was heengegaan, lang nagroetend haar smart-huilend gezicht naar zijn wezenloos staren, toen brak zijn forsch-neergedrongen leed omhoog, de wijd-wanhopige