STILLE UREN. 63
leefde, vriesdagen van hardstralende rust, waarin het verre luiden van de achtergeweten stad suis-brommend overdonkerde naar hun zitten; dagen waarop een wijd-zilverend lichten straalde over het veld, de ineenklompende laging der boerenhuisjes opzuiverend met duidelijk-plekkende kleuren, scherp stippelend de luidloos-bewegende menschenfiguren in de verte, zeil-wiegend langs de onzichtbaar-liggende hard-gevroren slooten. Dan ’s middags, wanneer de avondstilte aanhel-derde onder den dieper-strakkenden hemel, waartegen de sterren begonnen te week-gouden, onmerkbaar zuiver-tintelend tegen het oppoederend duister, ging hij naast haar zitten voor het venster, zijn arm buigend rond haar zacht-tenger lijf en uitziende naar de leeg-liggende weiden waarover de helle maanglans een sprookjes-kleurend schijnsel blauwde, bleef hij stil luisteren naar wat zij sprak, opluchtend uit het lange zwijgen waarin zij zich den heelen middag had gedwongen om hem niet te hinderen in zijn werk. En onbewust starend naar de hooger-lichtende duis-tering van den nacht, voelde hij zich heen-droomen op het fluister-zangend klanken van haar