62 STILLE UREN.
kalende boomgroepen. Telkens, in de tusschen-drooming van lang-hangende stilten, luidde het hel-opslaan der stemmen van menschen, die onder langs het huis liepen, kort omhoog, vaag heen-zwevend naar de verte, boven het hol-poppelend kloppen der voetstappen. Soms, opwoelend uit de loome rust, zwatelde het hel-juichend vroolij-ken van kinderstemmen nader en nader, duidelijk luidend een korte poos wanneer zij vlak bij het huis gingen, een wijd-witte wolking van klanken galmend naar omhoog, die langzaam, zacht-na-zwevend verder en verder uitlosde naar de andere zijde, plotseling ingekort achter den hoek van de straat. Dan was alles weer stil, de weg lag weer beweegloos onder het sluipende licht, dat langzaam voortzoog over de halfgebouwde huizen, waarvan de dunne dakbalken war-lijnden tegen de grijze lucht en waarboven met week-deinenden wiekslag vogels luidloos zweefden, heenstippend over de wijde velden naar den gezichtseinder, waar het donkere plekken van hun lijfjes langzaam, onduidelijk ineenkleinde.
Er waren Zondagen dat een helder-schitterend zonneglanzen langs den koud-blauwen hemel