58 STILLE UREN.
looze zwijging van het bosch, hun spreken ingestild. Terwijl hij voortliep, heendroomend op het week-schuivend doffen van hun gelijke stappen, was langzaam een matte droefheid over zijn denken gefloersd, waaruit alles opsomberde wat eens duister op zijn leven had gedekt, het mooi-kleurende in zijn voorbije bestaan overvee-gend met een weemoed-doffende tint, een groot-moeiende lusteloosheid zwarend op zijn voelen, waarin alleen, hooger en hooger het verlangen huilde om zacht zich te laten neerglijden in de week-omvloeiende streeling van het water en heen te zakken dieper en dieper, eindeloos voort naar de eeuwig-slapende bewusteloosheid van een altijd-durenden nacht.
Week-ruischend was de regen begonnen neer te suizen uit de grijs-lagende wolken, een zacht-scheerend schuiven fluisterend over het heenlevend bosch, een dun-trillende groezeling vegend op de klare spiegeling van den vijver, waaronder de weerbeelding der kleuren rondom ineentroe-belde, verder en verder gedekt onder de dichter spattende tikkeling der druppels. En hij was teruggegaan naar huis, zonder spreken, alleen