STILLE UREN. 57
seling scherpen van week-rooden schijn. Tegen den middag was de hemel ingegrauwd onder de langzame opgrijzing van luidloos-aandichtende wolken, die het zonlicht kleurloos dekten tot een egaal-matte bleekheid, een vocht-kille verlatenheid droevend over de velden, egaal-plattend naar de verte. In het bosch treurden de hoornen beweeg-loos omhoog in het doffe licht, de takken roer-loos-strekkend boven den bruin-natten grond, waar de oude bladen ineenklamden, zacht-geel geurend hun wegsterven in de laag-hangende neveling der herfst-vochtheid. De vijver lag spiegel-strakkend uit tusschen de wijde ruiming der stammen, scherp-lijnend de weerbeelding der hoog omslaande boomen diep naar onder, met de geelbruine róssing der bladen vèr-kleurend in donkere klaarheid. En alles rondom was stil, een Iuidloos-matte stilte, die dof dreef over de volle boomkruinen, de dood-tintende dorheid der bladen beweegloos vastend in het licht, een angstig-matte stilte waarin de weemoed van sterven treurde, wijd-dekkend over de aarde in luidloos-sluipenden voortgang.
Ongemerkt was onder hun loopen in de roer-