56 STILLE UREN.
heid van den tuin, leeg onder de kille blazing van den nachtwind, met de week-suizende schui-veling der droog-doode herfstbladen over den vochten grond, eenzaam duisterend onder het vaag-schaduwend schijnsel, dat uit het half-lichte café staarde. En ook de mooie Zondagen waren weg, de lange uren van warmte en hel-kleurenden zonneschijn, waarin zij bleven tot de avond over de velden koelde.
Zij waren nog één Zondag vroeg uitgegasn naar buiten, een laat-zonnenden herfstdag met teer-tintend waas-blauwen van damp over de uitgemoeide wijdligging der velden. Zij hadden g«-loopen in de koele frischheid van vochtgeurenoe herfstlucht langs het breed-kabbelend water, dit luidloos voorttrok naar den verren horizont, watr vaag-schemerend in de dunne misting de huizen lijnloos kleurden naast den zacht-donkeren opstand van diepplekkende boomgroepen. Hoog in ds ruime lucht-wazing stond een bleek-zilverend zom licht, glans-stralend in mat-heldere weving een teer-dradend zuiveren van week-zwevende kleur, even telkens aan den gezichtseinder duidelijkend tusschen het uiteendunnen van damp een plot-