54 STILLE UREN.
een onzegbaar medelijden klaagde voor haar dood-zijn, haar neerliggen beweegloos, voelloos onder den snelgang van den tijd, haar weteloos wegzijn uit de lichtheid van den dag, haar tijdeloos voortslapen in de eeuwig-dekkende geheiming van nooit-heen-te-helderen duisterheid. En scherp-schrijnend sneed het verwijten in hem op, dat hij hier stond, dat hij mee was in het leven, terwijl zij, ver buiten het bewegen van alles rondom, zonder lichtheid, zonder vreugd, zonder weten van zonneschijn en maanglans, van zomerzon en winterblankheid van donze sneeuw, altijd roerloos, vergeten bleef achter de dekkende snel-ling der jaren, verder en verder heen in de al-tijd-dreigende raadseling van eeuwig-dood-zijn.
Toen hij terugging naar huis, liep hij stil-peinzend voort, huil-brokkend de opgenieuwde droefheid in zijn borst, moeilijk inhoudend het telkens hoog-schokkend snikken dat in zijn keel scheurde. Hij voelde dat het nooit weer kon, dat hij nooit een andere vrouw zou naast zich kunnen hebben, dat altijd, telkens weer de herinnering van zijn voorbije geluk zou opkomen in de nieuw-vreugding van zijn leven, dat altijd