STILLE UREN. 53
ruwende werkelijkheid van wat geweest was, hard-gewakkerd uit de nevel-vloeiende onwaarheid, waarin haar dood-zijn altijd voor hem herinnerde.
In een snel-kleurende terug-beelding voor zijn zien, scherpten de uren weer voor die hij daar geweest was; de dampig-licht-looze dag, waarin hij duizel-stappend liep tusschen het stille gaan van anderen; het halfluid, suizend fluisteren der stemmen onder het dofdempend zwaar-voeten in het vochtig zand; het kort-dringend beweegloo-zen voor de duister-gapende leegheid van den grond, waarin haar laatste meezijn wegde voor altijd, langzaam, luidloos, verder en verder, eindeloos diep. En duidelijk als al dien tijd geleden, zag hij haar weer zooals zij het laatst met hem was geweest, haar bleek-mat uitgemoeid doodslapen tusschen de geurende blankheid der bloemen, die een wittend schijnsel vaagden over haar goed gezicht, haar groot-lievende oogen glansloos-halfdekkend in roerlooze dofheid, haar dicht-wrongend haar donker-schaduwend rond het heengewischte van haar dood-zijn. En een wijd-berouwende ellende schreeuwde in hem omhoog een wanhopig-huilende beroerdheid, waarin diep