52 STILLE UREN.
gedachten de werkelijkheid van het oogenblik. En opschokkend uit de gelijke passing van hun loopen, bleef hij staan, plotseling inhoudend het denkeloos bewegen van zijn lichaam.
Voor hem, donkerstillend onder de licht-welvende zachting van maanglans, beweegloosde de schemering der hooge boomen van het kerkhof in leven-loozen opstand, een breede, vloei-lichtende ruimte leegend voor de roerlooze doodheid van het huis, waaruit de vensters loom-kleurloos blindden naar den weg, achterdekkend in vaag-voelend werke-lijken de neerligging der eeuwig-slapende graven.
Nooit was hij weer hier geweest na den dag dat hij haar had weggebracht, altijd had hij het vermeden den weg te vinden, dien hij dien dag gegaan was achter haar laatste meezijn in zijn bestaan, angstig had hij altijd teruggeschuwd voor zijn weerkomen op de plek waar hij zooveel van zijn leven had gelaten, waar hij al zijn geluk had heengebracht tot nooit-weer-te-wakkeren slaping in een eeuwig-duisteren nacht. Nu, op eens, zonder willen, zonder weten, denkeloos geloopen den langen weg dien hij zoolang geleden had geleerd, stond hij voor de wreed-