STILLE UREN. 49
staan en waarin zijn heel vroeger bestaan voortleefde, waarin het groot-zangend geluk geheimend klankte en waarin hij de pijn-schrijnende smart nog hoorde schreien van wreed-ingeknauwd, voor altijd heen geluk.
Toch, vaster en vaster groeide zijn verlangen omhoog, zijn tegenwillen telkens zwakker slappend in het heen-korten van den zomer, waarachter hij de wanhopig-duistere sombering zag staan der lichtelooze winterdagen, optreurend uit de week-weemoedige berouwing van herfstglans en najaarsdoodheid.
Op een avond had hij weer met haar gewandeld, de avond na een langen, moeilijk-doorge-matten dag, waarvan de uren waren heengelang-zaamd onder de wanhopig-leege voeling waarin zijn denken dofde. Het was een maanlichte herfstavond, stil onder de koel-strakke vreding van den helder-blauwen hemel, waartegen de stenen wemelden, eindeloos goudend in zachte lichtheid. Zij hadden een anderen weg geloopen dan gewoonlijk en waren buiten de stad gekomen door eindelooslijkende straten, vreemd-duisterend voor hun zien in het ongekende van de gevels.
II.
4