STILLE UREN. 37
van de rivier, neerkleurend in de zwarte plassing van het water met kronkel-bochtend streepen. Voortzachtend in grijs-schuivende geheiming, gleed de logge donkerheid der schepen luidloos door den helderen nachtschemer, met de korte staring der kleur-brandende seinlichten, loshangend tus-schen de even-streepende strekking der touwen, schuinhoogend naar de vast-rechte topping van de mast. Langs-doffend onder het schok-schud-dend stooten van kort, klein-stuwend geluid, sneed het halfkrachte haasten van een enkele stoomboot tegen de karteling der buig-wiegende golven, een helder schijnsel dragend uit de kleurende ronding der lage vensters over de zwart-uiteendiepende zuiging van het water, dat verder-wijkend naar de oevers een vaag-dun ruischen achterhoekte, langzaam voort-scheerend met week-klotsend geluid. De klein-lagende roeibootjes, even, onduidelijk-zwartend in het langs-veegen van het licht der groote booten, donkerden onzichtbaar heen in den nacht, rhytmend nageplompt door het ver-weg dompen der riemslagen. Langzaam, ongemerkt begon een wijde stilte te welven over de aarde, de menschengeruchten dunden