STILLE UREN. 29
om zich moe te hollen onder de tegendrukking van onzichtbaar suizen, dat langs zijn ooren schoof.
Terwijl hij onder een portiek stond te kijken, hoe de wolken boven de huizen dikker en dikker zwarten in den hoog-stuwenden wind, zag hij midden in de leege straat een donkere vrouwenfiguur, hoekig vooruit-gebogen achter de ronding van haar parapluie, moeilijk steunen tegen de heftiger-blazende windrukken. En op eens, in een opgezenuwde roezing van zijn denken, liep hij naar haar heen, lach-vragend haar te mogen helpen en zonder wachten schoof hij zijn arm door de hare en keerde haar zacht tegen het stugge schokken van den wind. En hij liep naast haar voort, luisterend naar wat zij hem vertelde, terugherinnerend zijn lang-geleden jeugd in de opnieuwing van zijn ver-vergeten stemming.
Zij was een Francjaise, een naaister op een groot atelier. Eiken avond kwam zij er van daan en ging naar haar kamer, waar zij alleen woonde, een triest-eenvormig bestaan onder de gelijk-een-zame sleeping van haar dagen. In een kinderlijk-zacht vertrouwen, vertelde zij hem haar leven alleen, ver onder vreemden, droomerig-sprekend