TWEEDE HOOFDSTUK.
Hij leefde door den winter, neergezakt in een doode kalmte, zonder verandering, zonder bewegen, ’t Was een eenvoudige, egaal-rijende volging van dagen na dagen, zonder uur dat buitenklankte uit de luidlooze sluiping van tijd, een bestaan onbewust van wat jachtte rond zijn lichaam, een ongeweten meegaan in de wijde wieling van het zijn.
Soms schudde hij even wakker uit zijn dofheid, verwonderd dat alweer zoolang was weggedoezeld na wat voorbij was en daarna machiende hij weer onverschillig voort, zonder wil, zonder verlangen. Hij voelde de dagen beginnen, omdat hij naar zijn werk ging, hij voelde ze heen, omdat hij weer t’huis kwam. Uit de klaging van den aflevenden dag, woelde de grenzelooze wanhoop over de eeuwige nietsheid van zijn leven hooger naar zijn keel. ’t Was hem of een knakkende moeheid op zijn lichaam drukte, die nooit weer zou heensterken tot de energie van vroeger en die hem altijd zou dwingen neer te hangen in dezelfde doffe verveling waarin hij was. En de