24 STILLE UREN.
alleen was, dat de groote duistering van voorheen weer doodde in zijn bestaan. De herinnering van wat gevreugd had in zijn dagen zou telkens weer pijnen in zijn denken, de beelding van zonnende uren zou telkens weer opstaan tegen de kleurlooze leegheid waarin hij gedwongen was voort te slepen, meedroevend de berouwende wanhoop dat alles voorbij was, dat de mooie jaren heen waren voor altijd.
En hij bleef roerloos peinzen in den nacht, die langs het venster stond, den eenzaam-stillen nacht, die wijdduisterend schaduwde over de aarde. Het rossend schijnsel van het vuur dunde langzaam uiteen in de fulpen schemering rondom, de kamer vullend met een doffe zwartheid.