STILLE UREN. 23
tikkelende klettering van staage regen. De meeuwen waren verdwenen, geheimzinnig heengestild in de mist, voortgezwegen in onbekende verte, de kade leeg latend onder de plassende glanzing van neerdonkerend vocht.
In de moedelooze peinzing waarin hij stond, leek hem de groote droefheid van den lang-voorbijen dag zwaarder te hangen over zijn bestaan, onmogelijk ziende een even weerlichten van een klein-zachtend geluk in den moeilijken gang van zijn leven. Eindeloos voelde hij de rijing van dagen als deze, eindeloos de loomende grijsheid der Zondagen die zouden weerkomen in de regelmatige deeling van voorbijgesleurde weken, vooruitbelovend in de kleuring van zijn dagwerk de telkens weer neermattende somberheid van uren, sluip-leegend in gluipenden voortgang. De verwachting die liij in den kort-geduurden zomer had voelen oplichten in zijn binnenste, dat hij zou kunnen leven, zacht-diep meedroevend de schrijning van een nooit te vergeten leed, was ongemerkt weer uitgedaald tot de werkelijking van angstig-drukkende moedeloosheid, waarin staag de nieuw-geharde ellende schreide, dat hij opnieuw