22 STILLE UREN
De donkerte in de kamer was uitgezacht tot een fulpen spreiding van diep-dekkende schaduw, vast ineengezet tegen de glans-grootende vier-kanting der vensters. Alleen een klein plekje vage lichtschijn rosde voor over den onzichtbaren grond, strak neerstarend uit het snorrend duisteren van de kachel. En alles rondom was stil, een wijde, weggescheiden doodheid van eindeloos-droevende zwijging, waarin het huis eenzaam stond, hoog-alleen in de zwaar-omhangende drijving van klam-wattende mist. Moe-oprechtend uit zijn droom-soezend zitten, ging hij voor het venster staan, zijn hoofd leunend tegen het koud-hardend glas.
Buiten stond de avond beweegloos, duister-mattend neergezwaard onder de dichtende doffing van grauwe mist, waarin de recht-vlammende lantaarnlichten roerloos, in enkelstaande kleinheid puntten, wijdvagend een weglossenden kringschijn rond hun gloeien. Onzichtbaar waaiend uit den week-hangenden nevel, spritsten klein-streepende druppels tegen bet glas, snel ruischend na elkaar tot een spreidende trilling van spikkelend vocht, langzaam, ongemerkt ineengrootend tot een week-