STILLE UREN. 21
dencle donkerheid van hun oogjes naar hun zwijgend zitten, wacht-zeilend in hoek-snijdende lijnen hooger en lager, roepend in scherp-kortend fluiten tegen de warmgesloten kamerrust. Voorzichtig steunend in zijn arm was ze opgerecht, lach-kijkend het wild-vroolijkend vliegen der vogels, met groot-blijde oogen volgend hun rusteloos bewegen. Een tijdlang waren zij gebleven, scherper tjilpend hun kort geluid, de open lichting vullend met de snelle fladdering van hun wieken, voortdurend drijvend langs de hooge vierkanting der vensters, wegkleinend naar achter en weer voorgrootend tegen het raam, tot zij eindelijk voortstuwden op de langzaam-krachtige rhytming van hun vleugels ver naar den horizont, waar zij heentrilden tegen de wolklooze spanning van de lucht tot nauw-donkerende stippen. En zij was een tijdlang beweegloos gebleven, span-turend haar oogen naar de voortwijking der vogels, langzaam, ongemerkt instrakkend de lach-gelukkige heldering van haar gezicht tot de oud-gewone pijnlijkheid, die dieper langs haar wangen groefde. En daarna waren de meeuwen nooit meer gekomen.