STILLE UREN. 19
En op zijn kamer, waar hij haar uitgemoeid had neergetild in haar stoel, had ze liggen schreien langen tijd, haar zacht-bleeke hoofd steunend tegen zijn horst, telkens en telkens weer zijn gezicht pakkend tusschen de magere klamheid van haar handen en had hem gezoend, berouwend haar groote liefde die zij voelde heen-sterven, langzaam, luidloos, sluipend heen, in de zwaarder-moeiende machteloosheid, die haar dieper en dieper had ineengezwakt. En daarna was zij niet meer uitgeweest om de meeuwen eten te geven.
Later, toen zij heele dagen beweegloos lag in haar stoel, den laatsten winter van haar leven, had hij nog een paar keer geprobeerd voor haar in den tuin te gaan en de vogels te lokken naar het venster waar zij lag. Maar de meeuwen waren langzamerhand weggebleven, onwillig te komen op zijn roepen, schuw-vreemdend voor zijn donkere staan, waar zij zoo gewoon waren aan de luid-lachende stemklank van haar spreken.
Eens nog, na langen tijd, waren een paar meeuwen terug geweest. Hij had den heelen middag naast haar bed gezeten, pratend met een