16 STILLE UREN.
den Iaatsten dag, dat zij nog had kunnen krach-tigen tegen de neermoeiende zwakte van haar langzaam heenzieken.
In de kleurlooze, slappe lichting van den matten winterdag, zeilden de vogels langzaam boven den leegen tuin, met loome vleugelklepping voortdrijvend onder het beweegloos treuren van de lucht, waaruit telkens even kort-waaiend naspreidende regenvlagen dun-dreven, glim-vochtend een blankglanzenden weerschijn over den donkeren grond. Moe-dweilend wiegden zij heen-en-weer, lusteloos zakkend naar onder en weer hoog-klappend op de zwaar-slaande zwaaiing van hun vleugels, telkens lange tijden stil-plekkend op den grond, grijs-bewegend boven de donkere klam-ming van de aarde. Dan, omhoog-schokkend in de natte waaiing van regen, vlogen zij een kort eind voort, weer neerkleinend naast elkaar in uitgemoeid rusten, even week schrijnend een zacht-scherpend tjilpen in de stilte.
Zij was naar buiten gekomen, moe-stappend den korten afstand door den tuin, moeilijk-steunend haar handen tegen haar borst, die trekkend hijgde. Langzaam loopend was zij de vogels te gemoet