14 STILLE UREN.
Langzaam, onhoorbaar ineenschuivend dichtte de mist weer naar onder, den helderen zonneglans onderdoffend met een weeke wademing van tintloos grijs, een vaster-wattende witheid lagend boven de ruime breeding van het water, waarachter de huizengevels zachtjes inzogen, de schemer-paarsing van hun beweegloos opstaan luidloos ingedekt onder de zwaarder-hangende drooming van doffende damp. En onmerkbaar doofde de witheldere plekking boven de grijs-dekkende schemering weer voor, een vage lichting zakkend in het helder-levend kleuren van de kamer, waarin de meubelen begonnen heen te donzen onder de hangende poedering van schemerend grijs. In laag-drijvend bewegen droomde de mist dieper omlaag, een nevel-dunnende ruimte leegend boven het water, dat weer was ingezwart tot een egale, gelijk-strakke, glanslooze spreiding van taai-Ioomende doodheid. En het daglicht vaalde ineen tot een tastloos-droevende weving van vage tint, een matte, wezenlooze dwaling van kleurloozen schijn, waarin de kade levenloos neerlag, plat-geleegd onder de starre zwart-strakking der boomstammen, waarboven de wijde