12 STILLE UREN.
Het was een zon-heldere vriesdag, een Iicht-blauwende strakheid van vaste zonglans, die wijd rondde van de wolklooze lucht, een glas-zui-verende kou forschend over den drooghardenden grond, waarin even telkens een kort-zuchtend blazen van scherpe noordwind sneed, heen-lossend in den zuiveren stilstand van de dunne lucht.
Zij stond in den tuin, scherp-gelicht in de goud-glanzende beweegloosheid van den zon, haar rood-gekoelde wangen frisch-kleurend onder de bleeke teerheid van haar voorhoofd, forsch, in oplevende jeugdkracht, zwaaiend haar armen hoog boven haar hoofd, naar de mat-grijze lichamen der meeuwen, die lager kringden naar haar staan in staag veranderen van het grauw-doffe blauwen van hun vleugels, wanneer zij opzeilden in het zonlicht, hun witte buikveeren hel-mattend in de gouding van het licht en weer donkerend in het lager drijven tot de schaduw-schemering van de achterzwijgende huizen. Sneller en sneller had zij het eten hooggegooid, luid roepend haar kort-vroolijkende woorden tegen het haastiger dooreen-warrelen der vleugels, leniger wiegend haar slank-jonge lijf naar de rondom wervelende vogels,