10 STILLE UREN.
in de vager-nevelende damp, die los-pluizend vlokte boven het water. Hoog naar den onzicht-baar-grauwen hemel, vlekte een scherp-plekkend wit van lichtende vastheid, kort-randend in het grijs rondom, een luid-tintende nieuwheid blankend naar onder over de vocht-donkere steenen van de kade, de glim-natte steenranden langs het water duidelijk kantend in het licht, een plotseling neerslaande zuiverheid dwingend voor de vocht-tranende ruiten, die langzaam, luidloos de meubelen in het vertrek vóórkleurde uit de matte schemering die over ze gedekt had.
De meeuwen waren heengefladderd in den lichtenden nevel, even nog donker-schaduwend met de korte kleinheid van hun grijze lijfjes in de wit-glanzende lichtplek hoog boven de gracht. Dieper bundelend in langzame daling, begon het zonlicht moeilijk te dringen door de telkens weer ineenvastende watting van wolken-witheid, teer-rozend een schijnsel van ontastbare tint door de egale dunheid van mist, die ijler omhoog vloeide, telkens zacht weer neerbewogen door onzichtbare waaiingen van klein-blazende windzuchten. En even beloofde een klaring van uithelderend blauw