8 STILLE UREN.
wegkringen in de wijde ruimte, waar zij heen-schemerden naar de verte tusschen de grijs-mistende neveling van de sneeuw, die groote, schitter-Iichtende druppels smeltte in haar haar en langs haar rood-gekoude wangen. En een laatste, wijd-zwaaiende groet welvend naar de vlakte waar de vogels waren weggezwegen, liep ze langzaam terug naar huis, moeilijk stappend in de hoog-gelaagde, zacht-blankende sneeuw, plotseling luidlachend toen ze hem zag staan, beweegloos in de wonder-lievende stemming die over zijn donkere voelen was gelicht door haar mooie jongheid.
In de moew-droevende drooming waarin hij eenzaam zat, willoos volgend de luidlooze neveling van zijn denken, zag hij de langzaam-geslopen mindering weer, waarin haar lichaam na die jaren gezwakt was.
Den laatsten winter van haar leven had hij naast haar gestaan, terwijl zij moe-steunend in zijn arm, zacht, pijnlijk-lachend om haar bleek-gemagerden mond, klagend dat de meeuwen weer rondvlogen boven de kale doodligging van den tuin, wachtend dat zij buiten zou komen om ze