STILLE UREN. 7
Zij stond hoog-donker boven den sneeuwge-dekten grond, haar teêr-jong gezicht koud-ge-frischt onder de koeling der neerdansende sneeuw, die met kleine, kort-wittende plekjes neervastte over haar schouders, vroolijk lachend haar donkere oogen omhoog naar de grijze warreling der meeuwen, die rond haar vlogen, scherp-tjilpend hun kort geluid naar haar langzaam indekken onder de staag-neerstillende blankheid. Telkens luid-lachend, zwaaide zij met uitheffend bewegen van haar armen het voedsel naar hun gulzig grijpen, telkens dreig-roepend met de volle stemklank van hoog, vroolijkend spreken tegen hun lager-dringend vliegen rond haar staan. Ze vlogen om en om, in wijde kringen zeilend boven haar hoofd, neerstrijkend naast haar op den grond, in wiek-vladderend deinen drijvend langs haar heen, een rusteloos-dooreen-woelend bewegen van grijs-doffende lichamen, waartusschen de heldere blankheid van hun opwiegende vleugels plekte, flikkerblinkend in het warrelend wit der wemel-dansende sneeuwvlokken.
Toen, met leege handen hoogwuivend in de lucht, bleef zij nog een tijdlang staren naar hun