6 STILLE UREN
over de vreugde-zonnende drooming van zijn voelen.
De eerste keer.
Hij was nog niet verloofd. Op een ochtend was hij onverwacht naar haar toegegaan, in een snikkend-drangende behoefte naar haar meezijn in de groote leegheid waarin zijn voelen al dagen had gedroefd. Het was een donker-wol-kende winterdag, met een laf, toonloos licht dat omlaag hing, een klamme, windstille kleurloosheid die over de aarde loomde, waarin luidloos kleine vlokjes sneeuw naar onder pluisden, zacht poederend over den wit-harden grond een dun-spikkelende spreiding van vage witheid. Terwijl hij voortliep, was het sneeuwpluis begonnen dichter te zweven in groot-wittende vlokken, voller dwarrelend uit de laag-grijzende wolken, sneller en sneller streepend naar omlaag tot een dik-donzende hooging op den grond, in een gestadige schuiveling plekkend een smetteloze blankheid over de aarde, die wijd, stil neerlag.
Toen hij bij haar kwam, was zij achter in den tuin, die ophield tegen het water, met aan de overzijde de wijde plat-strekking der velden, eindeloos wijkend naar den nevelenden horizont.