2 STILLE UREN.
andering, zonder wisseling in den weer-eentoo-nenden sleur van zijn dagen. De eerste weken die hij in zijn huis terug was, waren nog goed geweest en had hij doorgeleefd in de nieuw-gesterkte kracht van zijn lichaam, zijn denken voldwingend met de herinnering van den voorbijen zomer. Maar langzaam, in den heenzonnenden weemoed van de herfst, in de korter-durende lichturen van killende dagen, waarin schuivel-warrelend de bruin-doode bladen van de donker-hardende takken kaalden, was zijn vroegere moedeloosheid weer omhoog geweend en had hem wéér zacht-gluipend ingeloomd naar een wezenloos, kleurloos voelen van zijn bestaan, eindeloos voortslepend zonder vreugde, zonder belofte. Hij deed zijn werk als vroeger, lusteloos, onverschillig, verlangend naar de rustige avonduren die hij ver uit de woeling van menschen kon zitten in zijn kamer, onder de suizende stilte van zijn alleen-zijn, meer en meer wegschuwend uit den omgang met vreemden.
En lange, eenzaam-heengesleurde Zondagen had hij weer doorleefd; Zondagen van alleen, dof-moewend werken, inspannend op zijn boeken