STILLE UREN. 137
zagen hem niet en hij bleef beweegloos zitten, voorzichtig wendend naar hun neer gaan liggen, schuin boven hem, op een helder-lichte opening tusschen het hout. Zij bleef steunen in zijn arm haar hoofd neergebogen tegen zijn borst, terwijl haar handen zacht langzaam heen en weer speelden met de ring die zij langs haar vingers schoof, denkeloos luisterend naar wat hij fluisterde. Toen innig opwendend haar gezicht naar het zijne, boog zij haar armen omhoog en zijn hoofd neerdrukkend, zoende zij hem, vastklemmend haar lippen op zijn mond, in een wijd-gevende omhelzing. En zij bleven liggen, zwijg-starend naar de zegenende spreiding der takken boven hun hoofd, terwijl zijn handen streelden in denkeloos bewegen langs haar wangen, luidloos lichtgoudend in de webbing van voortwarmend licht, dat breeder tusschen de boomen over hun droomen neerstond.
Toen, zacht-klagend in zijn borst, huilde de herinnering omhoog van het uur dat hij hier was geweest, met haar zittend zooals zij, een vredende voortlichting der uren, zonder weten van tijd, zonder voelen van het heensterven van den dag