136 STILLE UREN.
De jaren waren over hun leven gegaan, een wreede inknakking van de illusies die zij zich hadden voorgemooid en hij was weer hier terug, alleen, uitgeleefd, moe door de slijting van leed dat in hem had gesomberd, zijn voelen was veranderd, zijn denken ingelusteloosd, zijn verlangen naar de jaren die zouden komen onverschillig geslapt. Alleen het bosch rondom was hetzelfde als toen hij voor het eerst hier kwam, in de langzaam-voortkleinende verandering onbewust staande, dat buiten in de wereld het wijd-smar-tend leed voortbrak, eindeloos, zonder ophouden, altijd voort.
Luid-klappend in de loome stilte, lachten stemmen hoog boven zijn liggen naar hem heen. En opkijkend naar het schuivelen van voetstappen door de drooge bladen, zag hij een meisje met een jongen aanloopen, dicht tegen elkaar leunend op het smalle pad dat naar beneden bochtte. Hij hield zijn arm rond haar midden, zacht-fluisterend tegen haar lachen, terwijl zij teer-steunend in zijn vasthouden haar hoofd naar hem opboog, innig-kijkend de gelukkig-lachende donkering van haar oogen naar zijn gezicht. Zij