STILLE UREN. 135
die door de jong-groenende takken blies, de oude bladeren warrelend in kringend bewegen over den weg, ze opsuisend tot dicht-hoopende welvingen tegen de nauwe ineenstamming van het lage hout. Menschen hadden geloopen over den weg, kort opkomend uit de onbekende verheid van hun leven en weer heenverdwenen naar de ongeweten kleuring van hun bestaan; zij hadden gezeten zooals hij hier was geweest, onbewust de smart die hen misschien wachtte korten tijd na hun hier zijn. En alles rondom was onveranderd blijven voortstaan. Alleen de boomen waren dikker gerond, de bladeren dichter gegroeid, de bladerlaag op den grond was hooger gedonkerd. In het mooi-vredende geluk waarin hij met haar hier had gezeten, hadden zij gesproken om hier later weer te komen, later wanneer zij heel oud zouden zijn, vooruitmooiend den tijd dat zij zouden zijn uitgemoeid van het leven en dat dan dit terugzien de laatste troos-ting zou zijn voor het voorbije geluk dat over hen had geschenen, de laatste mooie uren in den dreigend-angstigen tijd dat zij voor altijd van elkaar zouden weg-zijn.