STILLE UREN. 133
heel ver, mistte nog een ijl-dunne damp beweeg-loos langs de rondbuiging van den horizont, ineenwisschend met het bleeke luchtblauw, lijn-loos vervloeiend tot een vaag-uitlossende, bleeke neveling.
Moeilijk-hijgend tegen de gras-gladde schuinte, ging hij een eind de hoogte op, die langs een zijpad terugkortte door het bosch. In de moewe slapping van zijn lichaam, wilde hij hier een tijd rusten voor hij verder ging, op eens herinnerend, dat hij ook met haar hier had gezeten langen tijd. Rondom stond de wijde middag-stilte, loom-zwijgend onder de vochtlauwe warmte die laag dreef tusschen de boomen, even telkens heenge-trild door het onzichtbaar suizen van insecten; een dood-gebruind boomblad wiegde langzaam neer uit de takken, stil-schuivend in het vallen over den dik-geelen grond en daarna roerloosde de loome rust weer over het bosch, even doorgeritseld door het vallen van een dennekegel, kort van tak tot tak tot hij neerdofde in de weeke bladen.
Terwijl hij ineengemoeid neerlag, achteroverleunend zijn hoofd op zijn saamgevouwen handen