STILLE UREN. 131
blader-suisenden wind en teer-webbende geheiming van klankloos ruischen. In de groot-gelukkige stemming die over hun samengaan kleurde, had hij de nijpende angsting voor haar ongeweten ziek-zijn heengevreugd uit zijn denken en had hij alleen vooruitgezien naar een mooi-belovende toekomst, een altijd leven naast haar, weg uit de bange eenzaamheid waarin zijn jeugd had getreurd. Het was de eerste dag geweest van een lang-naherinnerende beelding van weken, eindeloos lijkend in het ver vooruitzien van egaal-droomend geluk, de eerste dag na een lange duistering van weemoed, waarin zijn voelen ge-vreugd had zonder angsten, zonder zorg voor wat kon ’ opstaan in ongeweten verte. Daarna had de werkelijkheid weer over hem gewrangd, een sombere volging der jaren rijend over zijn bestaan, waarin de korte uren van jammer-huilend geluk bleek stonden onder de mat-doffende wanhoop waarin hij had geleefd.
In de week-kalmende stemming waarin hij liep, voelde hij de herinnering van dien dag gelukkigen in zijn denken zonder wrangheid, zonder wrokkende smart. Het leek hem of zijn terug-
9*