130 STILLE UREN.
vocht-drogend zand neergediept tusschen de wagensporen, zacht-schaduwend aan de eene zijde onder den hoog-schuinenden opstand van groen-warrelend bosch. Weeksuizend langs den scherp-snijdenden lagen wegkant, schuurde het trekken van het water een dun-wittende schuiving van geluid, vaag ineenwevend met de zweef-blazende fluistering van nauw-ademende koelte, waarop het versch-geurend frisschen van het water droeg, onzichtbaar opwittend uit de verte.
Op eens wakkerde het naar zijn bewustzijn welken weg hij ging. In zijn denkeloos dwalen hadden zijn stappen hem hierheen gebracht. Voor het eerst na lange jaren, deed hij deze wandeling weer. Den eersten keer dat hij dezen weg was gegaan, was op zijn huwelijksreis geweest, den eersten dag nadat hij getrouwd was. En plotseling, in een helder opscherpend beelden, zag hij dien dag weer.
Zij waren weggegaan uit de stad, in een lang-behoeftend verlangen samen te loopen, vrij uit den rondgang van onverschillige vreemden en ver buiten te zijn in de gelukkig-vredende stilte van het bosch, alleen onder de fluister-zachtende geluiding van