128 STILLE UREN.
dunne nevelingen vloeiend tusschen het lage hakhout. In de wijde, open-zonnende ruimten tusschen de boomen, stond een goud-kleurend licht, waarin het opdunnend dampen van den grond een mat-dekkende witheid trilde, uitwazend omhoog in vager-teerende ijling, weglossend naar de ruimblauwende lucht. In de weeke stilte van den nieuw-helderenden ochtend suisde telkens, even dun-bewegend door de takken, een ver-aanwuivend zuchten van den wind, meeademend een vocht-donkerend geuren van droogwarmende aarde, waartusschen het scherp-bruinend wolken hing van nat-vergaan blad en geel-dorrend eikenloof, met nakoelende broeiïngen weglauwend in de schemerende schaduw onder het hout.
Plotseling, breed-rechtend naar weerszijden stond het bosch uit, hoogdonkerend boven de groen-gedekte schuinte die langzaam naar omlaag glooide. Diep beneden donkerde de breede rivier, in klein-wervelend trekken, geheimstillend eindeloos voort, met een wijd-blinkende plassing van weer-wittend licht spiegelend in de verbuigende slangen door het veld, ineensmallend tot een lijnkronkelende blauwing naar den hori-