STILLE UREN. 127
regen wegdrogend in de ruimte en ’s morgens lichtte de zon weer tusschen de brokkel-brekende blauwheid der wolken, een schitter-helderend leven bewegend over het land, tril-tikkelend een kleurwisselend stralen in de druppels die op de bladeren rondden, klak-kortend naar omlaag in de dof zachte vochting van den grond. En de wolken brokten heen naar den horizont, uitblauwend de ruime welving van de lucht in wijde spanning, waarlangs de zon weer goudde, langzaam zachtend de innige koepeling van hoog-warm licht over de boomen, die stonden in roerloos zwijgen, moe bewogen door de rustelooze ruisching die door hun takken had gewiegd.
Dagen lang was hij niet uitgeweest. In de duistere schemering van den regen die rond het huisde grijsde, had hij op zijn kamer gezeten, lange tijden starend tusschen zijn werk naar de huilende hopeloosheid die van den hemel stond, ’s Morgens toen de regen had opgehouden ging hij weg, behoeftend zijn lichaam te bewegen uit de matte loomheid waarin hij al die dagen had gezwaard. Toen hij in het bosch kwam begon de zon door de dichte bladeren te warmen, licht-