126 STILLE UREN.
ruim-dekkende vlakte van roerloos-diepend water, waarin de geluiden dempten tot een dof-zwijgende matheid, een dood-leegende drooming dekkend in den nacht.
Lange, kil-nattende regendagen treurden over het bosch, dikstralend de druppels eentoonig van de dicht-grijze lucht, waarlangs de wolken laag dreven, voortgestuwd op de ruk-blazende waaiingen van den wind. Onder de klettering van druip-siepelend nat, loosden de bruin-doode bladen omlaag, even gedragen door den wind, ineen-vuil end op den soppigen grond, waar langzaam een dik-zachte groezeling laagde, vaster ineen-donkerend door den staag druk-plassenden regen. De boomen stonden met donker-sponzendc stammen willoos heen-en-weer-wiegend tegen het plotseling uitbuilen van den wind, hun hoog-rekkende kruinen donker bezemend onder de grauwe drijving der wolken, somber-ruischend in eentoonig weerkomende scherping van geschuif, wanneer het doffe daglicht heenschrompelde naar n aar den vroeg-zwarten avond. Maar dan plotseling zweeg de wind ineen, kort nog telkens nablazend een week-suizend zuchten door de lucht, den