STILLE UREN. 125
zonwarmend naar den middag, waarin de wazende misting wegzoog op het lichtend weven der zonnestralen, zilver-raggende en weeke webbe van nauw-dradenden glans over de beweegloos-han-gende bladen. En de middag losde heen naar den avond, waarin zacht een klam-kille damp hoogblauwde naar de late laaiing der zonnestralen, langzaam, sluip-dekkend de wijde, roerloos-strek-kende vlakte, hooger ineendichtend naar het bosch waarin de zachte vloeiing van nevel verdween, weggeweekt in de diepe schaduw die onder de hoog-stillende bladertakken duisterde. Maar onder de rosse gloeiing van het wijkend licht, dat ver naar het Westen den hemel kleurde tot een uittoovering van zacht-vloeiende tinten, de klein-brokkende avondwolken rozend met een dun-omrandende zooming van stralend licht, dichtte de nevel hooger, de schaduw onder de boomen heenblankend tot een waterzilveren matheid, waaruit de stammen rechtten, kort-dragend de sombere beweegloosheid der takken. En tegen de dieper inblauwende lucht stilde het wijder-glanzende maanlicht een teer-stalende weving van wijde rust, de loom-staande mist blankend tot een