STILLE UREN. 123
nacht, sprak hij voort, uitzeggend alles wat in hem smartte uit de donker-drukkende maanden die waren voorbijgeleefd, alles wat gelukkig had gezongen in zijn dagen, met een wijdvertrouwende dankbaarheid voor de lief-steunende vriendschap die zij troostten in zijn bestaan. En in het zacht-zangend lichten van het maanlicht, stilden lange zwijgingen in hun zitten, naklankend de geluiding van zijn woord rond hun hoofd, langzaam, geleidelijk blijvend zonder spreken, een onzegbare neveling van gelukkig voelen stemmend in hun samenzijn, voortinnigend op de suizing van geluid die streelde door de stilte en waarin het hem was of alle leed heenweekte door de kalmende troosting van onwerkelijk-stemmende kleur, die van den sterren-strakkenden hemel neerboog.
De logeergasten vertrokken en het huishouden ging weer den ouden, geregelden gang van vóór dien tijd. In den vriendenden omgang dien zij met hem hadden geleefd, was zijn denken gelijker gekalmd in het wennen om weer met anderen samen te zijn, en was zijn lichaam weer krachtiger gesterkt door de groote rust, waarin die weken waren voorbijgevloeid. Hij voelde de