122 STILLE UREN.
een vaag omluidende donkerte over den tuin. En het was of na de korte zwijging waarin ze naar de neerklettering der regen hadden verwacht, hun woorden inniger spraken, of op zulke avonden een wijde scheiding hen verder eenzaamde uit het leven van menschen, hun zitten dichter dringend naar elkaar onder de diepvoelende teede-ring die over hen zachtte, eindeloos wevend uit den onzichtbaar heengeduisterden hemel.
Maar andere avonden helderden omhoog, avonden van vaststarenden maanglans, strak-kleurend van den hoog-blauwen lucht, die wolkloos, een-zaam-spannend welfde boven de goud-trillende wemeling der sterren, avonden van sprookjes-droomende weving van licht, roerloos schijnend over de slapende boomen, diep-donkere schaduwen plekkend naast de zacht-heldere leegheid van den grond, avonden waarin een week-gelukkige stemming opzong in zijn borst, de droeve matheid van zijn voelen heenluchtend tot een ver-naher-innerend weg-zijn en waarin zijn spreken hooger klankte over het luister-zittend zwijgen der anderen. In het wegkleuren der uren, die helder heen-zweefden in de ómweekende zwijging van den