STILLE UREN. 121
zeggen klankte naar zijn zitten, diep in zijn binnenste nazangend haar woorden naar de lichtende verwachting dat eens een weer-mooiend geluk zou kleuren over zijn leven. En in de fulpen zwijging van den nacht, stilde hun spreken heen, een lange peinzing dekkend in hun bijeenzijn.
En de uren leefden voorbij, geheim voortgeduisterd in de weving van den nacht, een einde-loos-lijkende drooming van tijd, waarin het verre dagleven raadselend lichtte in onwerkelijke vreemdheid.
Er waren avonden die kort donkerden na de matte warmlooming van den dag, met kleurloos-wittend licht dat van de laag-grijze wolken droefde, waaruit een donker-grauwende regen dreigde, vochtklammend over den moe-drogen grond.
Dan langzaam neerkortend een na een, begonnen de druppels te tikken op het dak dat boven hen schuinde, geleidelijk sneller tokkelend naar omlaag, een suizende ruisching spreidend uit de indonkerende wolken over de beweegloos-bladerende boomen, overdichtend tot een week-schuivende misting van achterdekkende schemering waarin het moeilijk licht wegzoog, vroeg-nachtend