STILLE UREN 117
hij voelde zich telkens als een tweede die hij niet was, een ander dien hij zag bewegen en wiens bekenden stemklank hij luisterde, zijn eigen ik ver wetend, die leefde in de staag-klemmende moeheid van een ander bestaan. Maar langzamerhand gleed ook dat voelen heen; hij liet zich willoos wegdenken in het praten naast zich; zijn oude, jaren-geleden voelen geluk-kigde weer op; hij helderde zijn spreken mee in het vreugden der andere stemmen en het was hem of hij nooit anders was geweest, of nooit een tusschentijd was gevloeid tusschen zijn gelukkige dagen en dit uur.
Toen hij weer op zijn kamer terug was, waar de donkere eenzaamheid dekte over de verlaten zwijging der meubelen, bleef hij voor de open balcondeuren staan, zijn hoofd leunend tegen de koele hardheid van den muur, moe van de werveling der klanken die vaag, schemerluidend met telkens kort-brekend helderen naroesde. Buiten stond de nacht in wijde roerloosheid, een diep fluweelen duistering dekkend over den droom-liggenden tuin, waarvan de boomen donker-groe-pend hoogden naar de diep-blauwe lucht, zwijg-