STILLE UREN. 115
verlangen. De werkelijkheid had gebroken in zijn leven, ruw-pijnend tot een altijd-smartende herinnering de zacht-teere weving van geluk, waarin hij een korten tijd gedroomd had. En alles was weer kleurloos gegrauwd als vóór dien tijd. Alleen was de wanhoop in hem gewoeld, dat het nooit weer goed zou kunnen worden, dat altijd de weening in hem zou klagen, zachter schrijnend misschien in de slijting der jaren, maar die altijd zou blijven, diep-onderduisterend door alles wat hij verder zou leven.
In de luidlooze peinzing waarin hij zat, helderden de stemmen uit den tuin in een klank-lachend praten naar hem omhoog. Langzaam, doelloos, stond hij op uit zijn zitten, zijn lichaam moeilijk rechtend uit de moewe lusteloosheid die op hem zwaarde. En plotseling, alleen luisterend den drang die in hem joeg om weg te zijn uit de duistere eenzaamheid, ging hij naar beneden, even schuw-voelend in zijn verlegenheid om bij vreemden te komen. Maar alles kalmde heen, toen hij neerzat in den dunnen schemer die over den koel-vochtenden tuin neer-innigde.
Terwijl hij naar het spreken luisterde om hem