STILLE UREN.
114
lichten van iets, dat blijvend zou kleuren tegen de weerdroevende somberheid die telkens plotseling hoogdekte in zijn binnenste. In de weeke melancholie die in hem voortdoofde, was het hem niet mogelijk zijn denken te dwingen naar wat hij las; hij gleed zijn boek neer op zijn schoot en bleef soezen naar de wolkjes van zijn sigaar, die zachtjes verdwenen naar de rustige lucht ver boven in oneindige wijking. Onder den teer-innigenden weemoed van den opschemerden avond, begon de weenende stemming die den geheelen dag al in hem geklaagd had, duidelijker te luiden, de behoefte naar iets dat zou breken in de gelijke sleeping van zijn voelen grooter te dwingen in zijn peinzen. Het was een vaag, schemerend verlangen naar een droom-ne-velend visioen, gelukkig-smartend treuren naar iets dat lief zou vreden in de lustelooze uren van zijn bestaan.
En terwijl hij roerloos staarde naar den hemel, die dieper zuiverde boven den stijg-schemerenden avond, dacht hij terug aan zijn jeugd, toen hij datzelfde voelde en toen de wijddwalende illusies van zijn ziel beloofden de werkelijking van zijn