STILLE UREN. 113
weken die hij buiten was. Hij bleef weer lange uren op zijn kamer, voorzichtig stil achter uit den tuin sluipend wanneer hij wilde gaan wandelen en kwam ’s avonds in de huiskamer, met een opluchtend gevoel wanneer de gasten in den tuin zaten en hij alleen bleef onder de suizing van het licht, dat eenzaam helderde over de leege tafel. Maar langzamerhand wende hij aan de nieuwe klanking van geluiden, die door het huis levendigde en ongemerkt warmde het verlangen in hem omhoog weer meê te leven in den omgang van anderen.
naar een
Op een avond was hij na het eten naar zijn kamer gegaan en had geprobeerd te lezen, languit zittend voor de open balcondeuren. Hij was dien middag laat t’huisgekomen, moe van het verdwalend wandelen, waarin hij getracht had de mat-huilende stemming heen te rustigen, die al eenige dagen over zijn voelen gedreigd had. Maar in zijn alleene gaan was de troostelooze voeling van zijn leven heftiger gescherpt, de moeheid van zijn denken lammend tot een wijde lusteloosheid, wanhopig schreiend de behoefte gelijkrustig bestaan, naar het eindelijk
8