STILLE UREN. 109
voor zijn zien met de bewegingen van hun vroeger hier zijn. En ’t was hem of zij weer met hem ging, haar slank-teere lichaam bewegend naast zijn stappen, een scherp-lijnende visioening van jaren ver, ineenwissend de herinnering der uren van voordat hij getrouwd was met die toen hij later met haar was geweest. En denkeloos strekte hij zijn hand uit, wachtend de zachte drukking van de hare, om voort te gaan zooals hij zoo dikwijls met haar had geloopen, zwijgend hand in hand, innigend op de weeke doffing van hun stappen. Maar plotseling wakkerde het weer in hem omhoog dat hij alleen was, dat hij haar niet zou weervinden wanneer hij zou thuis komen, dat de mooie tijden van hun samenzijn voorbij waren. En langzaam dieper schrijnend in zijn borst, hoorde hij de woorden klagen nooit, nooit weer, uitschreiend tot een wanhopige benauwdheid, die den drang in hem moeide beweegloos neer te liggen voor altijd, angstig voor de dreigende leegheid der dagen waarin zijn leven zou gaan in duistere eindeloosheid.
Moe van het ongewone bewegen ging hij rusten tegen de hooge helling, aan het einde